Toyota Auris Hybrid Touring Sports (2018). Manual in Dutch - 13

 

  Index      Toyota     Toyota Auris Hybrid Touring Sports (2018). Manual in Dutch

 

Search            copyright infringement  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Content      ..     11      12      13      14     ..

 

 

 

Toyota Auris Hybrid Touring Sports (2018). Manual in Dutch - 13

 

 

504
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
Velgen
Als een velg verbuigingen of scheuren vertoont of erg gecorro-
deerd is, moet deze vervangen worden. Anders kan de band van
de velg raken of kan de auto moeilijk beheersbaar worden.
Keuze van velg
Let er bij het vervangen van velgen op dat deze hetzelfde draagver-
mogen, dezelfde diameter, velgbreedte en ET-waarde* hebben.
Vervangende velgen zijn verkrijgbaar bij een erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en
uitgeruste deskundige.
*: “Offset” is de gebruikelijke term.
Toyota adviseert u het volgende niet te gebruiken:
● Velgen van verschillende maten of types
● Gebruikte velgen
● Verbogen velgen die hersteld zijn
Belangrijke aanwijzingen voor lichtmetalen velgen
● Gebruik uitsluitend de Toyota-wielmoeren en de Toyota-wielmoer-
sleutel bij uw lichtmetalen velgen.
● Controleer de wielmoeren na de eerste 1.600 km telkens als een
band is verwisseld, een band is gerepareerd of is vervangen.
● Pas op dat lichtmetalen velgen niet beschadigd raken als u
sneeuwkettingen gebruikt.
● Bij het balanceren moet gebruik worden gemaakt van Toyota- of
gelijkwaardige balanceergewichtjes, die geplaatst dienen te worden
met een kunststof of rubber hamer.
Wanneer velgen worden vervangen (auto's met bandenspanningswaar-
schuwingssysteem)
De velgen van uw auto zijn uitgerust met bandenspanningssensoren en -zen-
ders voor het bandenspanningswaarschuwingssysteem, dat in een vroegtij-
dig stadium waarschuwt als de bandenspanning te laag wordt. Bij het
vervangen van velgen moeten er bandenspanningssensoren en -zenders
worden geplaatst. (→Blz. 486)
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
505
WAARSCHUWING
Vervangen van velgen
Gebruik alleen de in deze handleiding aanbevolen maat velgen en ban-
den. Een andere maat kan resulteren in een slechtere controle over de
auto.
Gebruik nooit een binnenband bij een poreuze velg die ontworpen is voor
een tubeless band. Als u dat wel doet, kan dat leiden tot een ongeval
waarbij ernstig letsel kan ontstaan.
Plaatsen van wielmoeren
Plaats de wielmoeren met de schuine
kant naar het wiel toe. Als de wielmoe-
ren worden geplaatst met de schuine
kant van het wiel af, kan de velg scheu-
ren waardoor het wiel tijdens het rijden
Taps
kan losraken. Dit kan leiden tot
een
ongeval, met ernstig letsel als gevolg.
gedeelte
Breng nooit olie of vet aan op de wielbouten of -moeren.
Door het gebruik van olie of vet worden de wielmoeren mogelijk te vast
aangedraaid waardoor de bouten of de velg beschadigd kunnen raken.
Daarnaast kunnen de wielmoeren loslopen en de wielen losraken, wat kan
leiden tot een ongeval met ernstig letsel als gevolg. Verwijder olie of vet
van de wielbouten of wielmoeren.
Gebruik van beschadigde velgen niet toegestaan
Gebruik geen gescheurde of vervormde velgen.
Als u dat wel doet, kan er tijdens het rijden lucht uit de band ontsnappen,
7
waardoor een ongeval zou kunnen ontstaan.
OPMERKING
Vervangen van bandenspanningssensoren en -zenders (auto's met
bandenspanningswaarschuwingssysteem)
Omdat het repareren of vervangen van een band invloed kan hebben op
de bandenspanningssensoren en -zenders, adviseren we u deze werk-
zaamheden uit te laten voeren door een erkende Toyota-dealer of herstel-
ler/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste
deskundige. Ga ook voor de aanschaf van bandenspanningssensoren en
-zenders naar een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een
andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Gebruik voor uw auto alleen originele Toyota-velgen.
Bij niet-originele velgen kan niet worden gegarandeerd dat de banden-
spanningssensoren en -zenders goed werken.
506
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
Interieurfilter
Het interieurfilter moet regelmatig worden vervangen om de
optimale werking van de airconditioning te behouden.
Verwijderen
1
Zet het contact UIT.
2
Open het dashboardkastje.
Maak de demper los.
Duw aan beide zijden van het
3
dashboardkastje om de boven-
ste klauwen los te maken. Trek
vervolgens het dashboard-
kastje naar buiten en maak de
onderste klauwen vrij.
4
Verwijder de afdekkap van het
filter.
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
507
Vervangen
Verwijder het interieurfilter en
vervang het door een nieuw
exemplaar.
Plaats het filter met de aandui-
dingen ↑UP naar boven gericht.
Controle-interval
Controleer en vervang het interieurfilter volgens het onderhoudsschema. In
gebieden met veel stof of met veel verkeer moet vervanging vaker plaatsvin-
den. (Zie het onderhoudsboekje of het garantieboekje voor het onderhouds-
schema.)
Als er te weinig lucht uit de ventilatieroosters stroomt
Het filter kan verstopt zitten. Controleer het filter en vervang het indien nodig.
OPMERKING
Bij het gebruik van de airconditioning
Controleer of het interieurfilter aanwezig is.
Als de airconditioning zonder filter gebruikt wordt, kan het systeem bescha-
digd raken.
7
508
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
Batterij elektronische sleutel
Vervang de batterij door een nieuw exemplaar als deze ontladen
raakt of wanneer “Key battery low.” (sleutelbatterij bijna leeg) op
het multi-informatiedisplay wordt weergegeven.
De volgende zaken zijn benodigd:
● Sleufkopschroevendraaier
● Kleine sleufkopschroevendraaier
● Lithiumbatterij CR2032
Batterij vervangen
1
Neem de mechanische sleutel
uit de houder.
Verwijder het kapje.
2
Omwikkel het uiteinde van de
schroevendraaier met een doek
om schade aan de sleutel te voor-
komen.
Verwijder het batterijdekseltje.
3
Omwikkel het uiteinde van de
schroevendraaier met een doek
om schade aan de sleutel te voor-
komen.
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
509
4
Verwijder de lege batterij.
Plaats een nieuwe batterij met de
positieve aansluiting
(+) naar
boven.
Gebruik een CR2032 lithiumbatterij
Batterijen zijn verkrijgbaar bij een erkende Toyota-dealer of hersteller/repa-
rateur, een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige,
plaatselijke elektrozaken of fotospeciaalzaken.
Vervang de batterij alleen door het door de fabrikant aanbevolen type.
Gooi batterijen niet weg, maar lever ze in als KCA.
Als de batterij van de elektronische sleutel ontladen is
De volgende verschijnselen kunnen zich voordoen:
Het Smart entry-systeem (indien aanwezig), de startknop (indien aanwezig)
en de afstandsbediening kunnen abnormaal werken.
Het bereik van de afstandsbediening zal kleiner worden.
WAARSCHUWING
Lege batterijen en andere onderdelen
Kinderen kunnen deze kleine voorwerpen inslikken en daardoor stikken.
7
Houd deze voorwerpen buiten bereik van kinderen. Als u dat niet doet, kan
dat leiden tot ernstig letsel.
Verklaring voor de lithiumbatterij
WAARSCHUWING:
ALS DE BATTERIJ DOOR EEN ONJUIST TYPE BATTERIJ WORDT VER-
VANGEN, KAN EEN EXPLOSIE OPTREDEN. GOOI BATTERIJEN NIET
WEG, MAAR LEVER ZE IN ALS KCA.
510
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
OPMERKING
Voor een goede werking na het vervangen van de batterij
Houd u aan de volgende voorzorgsmaatregelen om ongevallen te voorko-
men:
Zorg altijd dat uw handen droog zijn.
Door vocht kan de batterij gaan corroderen.
Voorkom dat andere onderdelen in de afstandsbediening worden aange-
raakt of bewogen.
Verbuig de aansluitingen van de batterij niet.
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
511
Controleren en vervangen van zekeringen
Als een bepaalde stroomverbruiker niet werkt, kan het zijn dat
een zekering is doorgebrand. Controleer in dat geval de desbe-
treffende zekering en vervang deze indien nodig.
1
Zet het contact UIT.
2
Open het deksel van de zekeringenkast.
Motorruimte
Druk de borglip in en trek het dek-
sel omhoog.
Haak de borglip bij het plaatsen
eerst vast aan de twee uitsteeksels
aan de achterzijde.
7
512
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
Onder het dashboard aan bestuurderszijde (auto met linkse bestu-
ring)
Type A:
Verwijder het deksel.
Type B:
Open het extra opbergvak.
1
Duw aan beide zijden van
het extra opbergvak om de
bovenste klauwen vrij te
maken.
Trek het extra opbergvak
2
naar buiten en maak de
onderste klauwen vrij.
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
513
Onder het dashboard aan passagierszijde (auto's met rechtse
besturing)
Type A:
Verwijder de afdekking en de klep.
Type B:
1
Open het dashboardkastje.
Maak de demper los.
2
Duw aan beide zijden van
het dashboardkastje om de
7
bovenste klauwen los te
maken. Trek vervolgens het
dashboardkastje naar buiten
en maak de onderste klau-
wen vrij.
514
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
3
Verwijder de zekering met de
zekeringtrekker.
Alleen zekering type A kan worden
verwijderd met de zekeringtrekker.
4
Controleer of de zekering is doorgebrand.
1
Goede zekering
2
Defecte zekering
Vervang de doorgebrande zekering door een nieuwe zekering met de
juiste stroomsterkte. De stroomsterkte staat vermeld op het deksel van de
zekeringenkast.
Type A
Type B
Type C
Type D
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
515
Na het vervangen van een zekering
Als na het vervangen van de zekering de verlichting nog niet werkt, kan het
zijn dat de lamp moet worden vervangen. (→Blz. 516)
Laat, als de nieuwe zekering direct doorbrandt, de auto controleren door
een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een andere naar
behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Als de stroomafname van een circuit te groot is
De zekeringen zullen doorbranden voordat de bedrading van de auto onher-
stelbaar beschadigd raakt.
Bij het vervangen van lampen
Toyota raadt u aan om originele Toyota-producten te gebruiken, die speciaal
voor deze auto ontworpen zijn. Doordat bepaalde lampen in verbinding staan
met circuits die zijn ontworpen om overbelasting te voorkomen, kunnen niet-
originele onderdelen of onderdelen die niet voor deze auto ontworpen zijn
onbruikbaar zijn.
WAARSCHUWING
Voorkomen van storingen en het ontstaan van brand
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
Het niet in acht nemen van de voorzorgsmaatregelen kan resulteren in
schade aan de auto, brand en ernstig letsel.
Monteer nooit een zekering voor een hogere stroomsterkte dan aange-
geven, of een stukje metaal.
Gebruik altijd een originele Toyota-zekering of een gelijkwaardige zeke-
ring.
Vervang de zekering nooit door een stukje draad of metaal, ook niet tijde-
7
lijk.
Breng geen wijzigingen aan de zekeringen of de zekeringenkasten aan.
Zekeringenkast in de buurt van de vermogensregeleenheid
Controleer en vervang deze zekeringen niet zelf, omdat in de buurt van de
zekeringenkast hoogspanningsbedrading en hoogspanningsonderdelen
aanwezig zijn.
Als u dat wel doet, kan dat leiden tot een elektrische schok, waarbij ernstig
letsel kan ontstaan.
OPMERKING
Voordat u een zekering vervangt
Laat de oorzaak van de te grote stroomafname zo snel mogelijk vaststellen
en repareren door een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
516
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
Lampen
U kunt de ondersta526
ande lampen desgewenst zelf vervangen. Sommige lampen zijn
eenvoudiger te vervangen dan andere lampen. Aangezien de
onderdelen beschadigd zouden kunnen raken, raden wij u aan
om de vervanging te laten uitvoeren door een erkende Toyota-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Voorbereiden van het vervangen van een lamp
Controleer het vermogen van de defecte lamp. (→Blz. 613)
Plaats lampen
Voor
Auto's met halogeenkoplampen
1
Koplampen
2
Richtingaanwijzers opzij
3
Richtingaanwijzers voor
4
Mistlampen voor (indien aanwezig)
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
517
Auto's met led-koplampen
1
Richtingaanwijzers opzij
2
Richtingaanwijzers voor
3
Mistlampen voor (indien aanwezig)
Achter (auto's met linkse besturing)
7
1
Achteruitrijlicht
2
Remlichten
3
Richtingaanwijzers achter
4
Kentekenplaatverlichting
518
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
Achter (auto's met rechtse besturing)
1
Remlichten
2
Achteruitrijlicht
3
Kentekenplaatverlichting
4
Richtingaanwijzers achter
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
519
Lampen vervangen
Koplampen (auto's met halogeenkoplampen)
Verwijder de borgclip. Draai
1
de vulpijp voor de ruiten-
sproeiervloeistof en trek
deze eruit. (Alleen bij vervan-
ging van lamp aan de rech-
terzijde.)
Verwijder het kapje.
2
3
Draai de lamphouder linksom
en verwijder hem.
7
Neem de stekker los, terwijl
4
de borglip wordt ingedrukt.
520
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
5
Vervang de lamp en plaats
de lamphouder.
Breng de 3 nokken op de lamp
in lijn met de bevestiging en
steek de lamp erin.
6
Draai de lamphouder en zet
hem vast.
Beweeg de lamphouder voor-
zichtig om te controleren of hij
niet loszit en zet de koplampen
aan om visueel te controleren of
er geen licht langs de bevesti-
ging af schijnt.
7
Plaats het deksel.
B
Breng het uitstekende deel (A)
A
in lijn met het midden van het in
de afbeelding aangegeven
gebied (B) en druk de buitenran-
den van het deksel stevig aan
om ervoor te zorgen dat het
deksel goed wordt geplaatst.
Steek de vulpijp voor de rui-
8
tensproeiervloeistof erin en
draai deze om. Plaats de
borgclip.
(Alleen bij vervan-
ging van lamp aan de rech-
terzijde.)
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
521
Mistlampen voor (indien aanwezig)
Draai het stuurwiel in de
1
tegenovergestelde richting
van de lamp die u wilt ver-
vangen.
Draai het stuurwiel zo dat uw
hand gemakkelijk tussen de
band en het binnenscherm past.
Verwijder de 2 schroeven en
2
verwijder de wielkuip gedeel-
telijk.
Verwijder de wielkuip gedeel-
3
telijk, zodat de lamp zicht-
baar is.
7
Neem de stekker los, terwijl
4
de borglip wordt ingedrukt.
522
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
5
Draai de lamphouder linksom
en verwijder hem.
Plaats een nieuwe lamp.
6
Breng de 3 nokken op de lamp
in lijn met de bevestiging en
steek de lamp erin.
Draai de lamphouder rechtsom
en zet hem vast.
Sluit de stekker aan.
7
Beweeg de stekker voorzichtig
om te controleren of hij niet los-
zit en zet de mistlampen voor
een keer aan om visueel te con-
troleren of er geen licht langs de
bevestiging schijnt.
8
Voer voor het plaatsen van het binnenscherm
3
en
2
in omge-
keerde volgorde uit.
Controleer of het binnenscherm aan de binnenzijde van de bumper is
bevestigd.
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
523
Richtingaanwijzers voor
Verwijder de borgclip. Draai
1
de vulpijp voor de ruiten-
sproeiervloeistof en trek
deze eruit. (Alleen bij vervan-
ging van lamp aan de rech-
terzijde.)
2
Draai de lamphouder links-
om.
Verwijder de lamp.
3
7
4
Voer voor het plaatsen van de lamp
3
en
2
in omgekeerde
volgorde uit.
Steek de vulpijp voor de rui-
5
tensproeiervloeistof erin en
draai deze om. Plaats de
borgclip.
(Alleen bij vervan-
ging van lamp aan de rech-
terzijde.)
524
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
Richtingaanwijzers opzij
Verwijder het kapje.
1
Steek de platte schroeven-
draaier erin en schuif deze langs
de richtingaanwijzer opzij.
Omwikkel de schroevendraaier
met tape om te voorkomen dat
de auto wordt beschadigd.
Druk op de 2 clips en verwij-
2
der de richtingaanwijzer opzij
uit het huis van de buiten-
spiegel.
3
Verwijder de fitting uit het
huis van de richtingaanwij-
zer opzij.
Verwijder de lamp.
4
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
525
5
Verwijder de fitting uit het
huis van de richtingaanwij-
zer opzij.
Breng de groeven op de fitting in
lijn met het huis van de richting-
aanwijzer opzij.
Zorg ervoor dat de bedrading
6
door het onderste deel van
de richtingaanwijzer opzij
loopt en plaats deze in het
huis van de buitenspiegel.
Breng de 6 lippen in lijn en
7
plaats de afdekkap.
Let op of u een klikgeluid hoort
en controleer vervolgens of de
afdekkap goed op zijn plaats zit.
7
526
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
Remlichten en richtingaanwijzers achter
Open de achterklep en ver-
1
wijder de 2 schroeven. Ver-
wijder de lamp door deze
recht naar achteren te trek-
ken.
2
Draai de lamphouder links-
om.
1
Remlichten
2
Richtingaanwijzers achter
3
Verwijder de lamp.
1
Remlichten
2
Richtingaanwijzers achter
4
Voer voor het plaatsen van de lamp
3
en
2
in omgekeerde
volgorde uit.
Plaats de lamp en vervol-
5
gens de 2 schroeven.
Breng bij het plaatsen de gelei-
der (
1
) en pen (
2
) op de
lamp in lijn met de fitting.
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
527
Achteruitrijlicht
Open de achterklep en ver-
1
wijder de afdekkap.
Steek een platte schroeven-
draaier of een dergelijk gereed-
schap in de opening in
bovenzijde van de afdekplaat en
verwijder deze zoals aange-
geven in de afbeelding.
Omwikkel de schroevendraaier
met tape om te voorkomen dat
de auto wordt beschadigd.
Draai de lamphouder linksom
2
en verwijder hem.
3
Verwijder de lamp.
7
4
Plaatsen: Herhaal de genoemde stappen in omgekeerde volg-
orde.
528
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
Kentekenplaatverlichting
Verwijder het kapje.
1
Steek een platte schroevendraaier van het juiste formaat in de
opening aan de binnenzijde van het klepje, maak de klauw los en
wrik het klepje naar buiten, zoals aangegeven in de afbeelding.
Omwikkel het uiteinde van de schroevendraaier met tape om te voorko-
men dat de auto wordt beschadigd.
Verwijder de lamp.
2
3
Plaatsen: Herhaal de genoemde stappen in omgekeerde volg-
orde.
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
529
Vervangen van de volgende lampen
Laat de onderstaande lampen vervangen door een erkende Toyota-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwali-
ficeerde en uitgeruste deskundige.
● Koplampen (auto's met led-koplampen)
● Parkeerlichten voor/dagrijverlichting
● Derde remlicht
● Achterlichten
● Mistachterlicht
Ledlampen
De koplampen (auto's met led-koplampen), het mistachterlicht, het derde
remlicht, de parkeerlichten voor/dagrijverlichting en de achterlichten bestaan
uit een aantal leds. Laat een defecte led vervangen door een erkende Toyota-
dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde
en uitgeruste deskundige.
Condensvorming aan de binnenzijde van het lampglas
Het tijdelijk beslaan van de binnenzijde van het koplampglas is normaal.
Neem in de volgende gevallen contact op met een erkende Toyota-dealer of
hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitge-
ruste deskundige voor meer informatie:
Als er erg veel condens aan de binnenzijde van het koplampglas zit.
Als de binnenzijde van de koplamp nat is en blijft.
Bij het vervangen van lampen
→Blz. 515
7
530
7-3. Zelf uit te voeren onderhoud
WAARSCHUWING
Lampen vervangen
Schakel de verlichting uit. Wacht na het uitschakelen van de verlichting tot
de lampen zijn afgekoeld.
De lampen kunnen erg heet worden en brandwonden veroorzaken.
Raak het glas van de lamp niet aan met blote handen. Als u het glas van
de lamp toch moet vastpakken, gebruik daarvoor dan een schone droge
doek, om te voorkomen dat er vocht of olie op de lamp komt.
Als de lamp een kras heeft of is gevallen, kan deze defect raken of breken.
Zorg ervoor dat de lamp en de borgclips goed vastzitten. Anders kan de
lamp door oververhitting beschadigd raken, kan brand ontstaan of kan
water binnendringen in de koplampunit. Hierdoor kunnen de koplampen
beschadigd raken en kan condensvorming in de koplamp optreden.
Voorkomen van schade en brand
Controleer of de lampen en borgclips goed vastzitten.
531
Bij problemen
8
8-1.
Belangrijke informatie
8-2.
Stappen die genomen
Alarmknipperlichten
532
moeten worden in
noodgevallen
Als uw auto in geval
van nood tot stilstand
Als uw auto moet
moet worden gebracht
533
worden gesleept
534
Als u denkt dat er
iets mis is
540
Als een waarschuwingslampje
gaat branden of een
waarschuwingszoemer
klinkt
541
Als er een
waarschuwingsmelding
wordt weergegeven
549
Als uw auto een lekke band
heeft (auto's met een
reservewiel)
558
Als uw auto een lekke band
heeft (auto's met een
bandenreparatieset)
570
Als het hybridesysteem
niet kan worden gestart ...584
Als de elektronische
sleutel niet goed werkt
586
Als de 12V-accu
is ontladen
589
Als uw auto oververhit
raakt
594
Als de auto vast
komt te zitten
598
532
8-1. Belangrijke informatie
Alarmknipperlichten
De alarmknipperlichten worden gebruikt om andere bestuurders
te waarschuwen wanneer de auto tot stilstand moet worden
gebracht, bijvoorbeeld bij pech.
Druk op de schakelaar.
Alle richtingaanwijzers gaan knip-
peren.
Druk nogmaals op de schakelaar
om ze weer uit te schakelen.
Alarmknipperlichten
Als de alarmknipperlichten gedurende langere tijd worden gebruikt terwijl het
hybridesysteem niet in werking is (terwijl het controlelampje READY niet
brandt) kan de 12V-accu ontladen raken.
8-1. Belangrijke informatie
533
Als uw auto in geval van nood tot stilstand
moet worden gebracht
Breng de auto alleen in noodgevallen, bijvoorbeeld wanneer de
auto niet op de normale manier stilgezet kan worden, als volgt
tot stilstand:
Trap het rempedaal met beide voeten stevig in.
1
Rem niet “pompend”; hierdoor is meer kracht nodig om de auto tot stil-
stand te brengen.
2
Selecteer schakelstand N.
Als stand N kan worden geselecteerd
3
Zet na het afremmen de auto stil op een veilige plaats langs de
weg.
4
Schakel het hybridesysteem uit.
Als stand N niet kan worden geselecteerd
Blijf het rempedaal met beide voeten intrappen om de rijsnelheid
3
van de auto zo veel mogelijk af te remmen.
Om het hybridesysteem uit te
4
schakelen, houdt u de startknop
langer dan
2 seconden inge-
drukt of drukt u deze driemaal
of vaker kort na elkaar in.
Gedurende ten minste 2 seconden
8
ingedrukt houden of 3 maal achter
elkaar kort indrukken
5
Breng de auto op een veilige plaats langs de weg tot stilstand.
WAARSCHUWING
Als het hybridesysteem tijdens het rijden uitgeschakeld moet worden
De stuurbekrachtiging zal niet meer werken, waardoor het verdraaien van
het stuurwiel zwaarder gaat. Minder zo veel mogelijk vaart voordat u het
hybridesysteem uitschakelt.
534
8-2. Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
Als uw auto moet worden gesleept
Als uw auto moet worden gesleept, adviseren wij u dat te laten
doen door een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskun-
dige of professioneel bergingsbedrijf, en daarbij gebruik te
maken van een lepelwagen of een autoambulance.
Gebruik een stevige sleepkabel en neem de wettelijke voor-
schriften in acht.
Situaties waarbij het niet mogelijk is om door een ander voertuig
te worden gesleept
In de volgende gevallen kan de auto niet door een andere auto wor-
den gesleept met behulp van kabels of kettingen, doordat de voorwie-
len mogelijk worden geblokkeerd door de parkeerblokkering. Neem
contact op met een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur,
een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige
of een professioneel bergingsbedrijf.
● Er is een storing aanwezig in het regelsysteem voor stand P.
(→Blz. 549)
● Er is een storing aanwezig in de startblokkering. (→Blz. 82)
● Er is een storing aanwezig in het Smart entry-systeem met start-
knop. (→Blz. 586)
● De 12V-accu is ontladen. (→Blz. 589)
8-2. Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
535
Omstandigheden waaronder u vóór het slepen contact dient op
te nemen met de dealer
Het volgende kan duiden op een probleem in de transmissie. Neem
vóór het slepen contact op met een erkende Toyota-dealer of herstel-
ler/reparateur, een andere naar behoren gekwalificeerde en uitge-
ruste deskundige of een professioneel bergingsbedrijf.
● Het waarschuwingslampje van het hybridesysteem gaat branden
en de auto beweegt niet.
● De auto maakt een abnormaal geluid.
Slepen met een takelwagen
Sleep de auto niet met een takel-
wagen, om beschadiging van de
carrosserie te voorkomen.
Slepen met een lepelwagen
Aan de voorzijde
Aan de achterzijde
8
Deactiveer de parkeerrem.
Gebruik een dolly onder de voor-
wielen.
536
8-2. Stappen die genomen moeten worden in noodgevallen
Vervoeren op een autoambulance
Activeer de parkeerrem en zet het contact UIT.
1
Plaats wielblokken bij alle vier de wielen om te voorkomen dat de auto
wegrolt.
Zet de auto vast door de wielen
2
met de gordels aan de vloer
van de autoambulance vast te
zetten, zoals aangegeven.
Slepen in een noodgeval
Als er geen autoambulance beschikbaar is, mag de auto in geval van
nood tijdelijk worden gesleept door gebruik te maken van sleepkabels
of -kettingen die u aan de sleepogen vastmaakt. Uw auto mag op
deze manier alleen op een verharde weg en met lage snelheid (lager
dan 30 km/h) over een korte afstand worden gesleept.
Er moet een bestuurder in de auto zitten om te sturen en te remmen.
Ook dienen de wielen, de assen, de aandrijflijn, de stuurinrichting en
de remmen in een goede conditie te zijn.

 

 

 

 

 

 

 

Content      ..     11      12      13      14     ..