Toyota Auris Hybrid Touring Sports (2018). Manual in Dutch - 5

 

  Index      Toyota     Toyota Auris Hybrid Touring Sports (2018). Manual in Dutch

 

Search            copyright infringement  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Content      ..     3      4      5      6     ..

 

 

 

Toyota Auris Hybrid Touring Sports (2018). Manual in Dutch - 5

 

 

4-1. Voordat u gaat rijden
229
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
Het niet in acht nemen van de voorzorgsmaatregelen kan ernstig letsel tot
gevolg hebben.
Bij het starten van de auto
Houd het rempedaal altijd ingetrapt als de auto stilstaat en het controle-
lampje READY brandt. Dit voorkomt kruipen van de auto.
Tijdens het rijden
Zorg ervoor dat u, voordat u wegrijdt, blindelings het gas- en rempedaal
kunt vinden.
• Als u per ongeluk in plaats van het rempedaal het gaspedaal intrapt, zal
de auto onverwacht accelereren, wat een ongeval tot gevolg kan heb-
ben.
• Bij het achteruitrijden draait u wellicht uw lichaam, waardoor het bedie-
nen van de pedalen moeilijk wordt. Zorg dat u de pedalen altijd goed
kunt bedienen.
4
• Zorg dat u altijd in de juiste houding achter het stuur zit, ook als de auto
maar kort hoeft te rijden. Zo kunt u rem- en gaspedaal goed bedienen.
• Trap het rempedaal met uw rechtervoet in. Wanneer u het rempedaal
met uw linkervoet intrapt, kan in een noodgeval uw reactie vertraagd
worden, waardoor een ongeval kan ontstaan.
Als de auto alleen door de elektromotor (tractiemotor) wordt aangedreven,
dient de bestuurder goed te letten op voetgangers. Aangezien er geen
motorgeluiden zijn, kunnen voetgangers de beweging van de auto mis-
schien onjuist inschatten.
Rijd niet met de auto over licht ontvlambare materialen en parkeer de auto
ook niet in de buurt van dergelijke materialen.
Het uitlaatsysteem en de uitlaatgassen kunnen zeer heet worden. Deze
hete onderdelen kunnen brand veroorzaken als er licht ontvlambaar mate-
riaal aanwezig is.
230
4-1. Voordat u gaat rijden
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
Het niet in acht nemen van de voorzorgsmaatregelen kan ernstig letsel tot
gevolg hebben.
Tijdens het rijden
Schakel het hybridesysteem tijdens normaal rijden niet uit. Door het uit-
schakelen van het hybridesysteem tijdens het rijden verliest u niet de con-
trole over het stuurwiel of de remmen, maar werkt de bekrachtiging van
deze systemen niet meer. Hierdoor zullen het remmen en sturen veel
zwaarder gaan dan normaal. Zet in dat geval de auto aan de kant zodra dit
veilig kan.
In geval van nood, bijvoorbeeld als het onmogelijk is om de auto op de
normale manier tot stilstand te brengen: →Blz. 533
Rem bij het afdalen van een steile helling af op de motor (schakelstand B)
om een veilige snelheid te bewaren.
Het continu gebruiken van de remmen kan leiden tot oververhitting en een
verminderde remwerking. (→Blz. 258)
Verstel het stuurwiel, de stoel en de binnen- en buitenspiegels niet tijdens
het rijden.
Als u dat wel doet, kunt u de macht over het stuur verliezen.
Controleer altijd of alle passagiers hun armen, hoofd en andere lichaams-
delen binnen de auto houden.
4-1. Voordat u gaat rijden
231
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
Het niet in acht nemen van de voorzorgsmaatregelen kan ernstig letsel tot
gevolg hebben.
Tijdens het rijden op een glad wegdek
Door plotseling remmen, accelereren en sturen kunnen de banden hun
grip verliezen, met controleverlies tot gevolg.
Door plotseling accelereren, afremmen op de motor als gevolg van scha-
kelen, of wijzigingen in het motortoerental kan de auto in een slip raken.
Trap, nadat u door een plas bent gereden, het rempedaal lichtjes in om
ervoor te zorgen dat de remmen goed werken. Door natte remblokken kan
de remwerking afnemen. Remmen die aan één kant van de auto nat zijn
en niet goed werken, kunnen de besturing bemoeilijken.
Wijzigen van de schakelstand
Laat de auto niet achteruit rollen als een van de vooruitversnellingen is
ingeschakeld of vooruit rollen terwijl de selectiehendel in stand R staat.
4
Als u dit toch doet, kan een ongeval of schade aan de auto het gevolg zijn.
Zet de selectiehendel tijdens het rijden niet in stand P.
Als u dat wel doet, kan er schade aan de transmissie ontstaan waardoor u
de controle over de auto kunt verliezen.
Schakel stand R niet in terwijl de auto vooruitrijdt.
Als u dat wel doet, kan er schade aan de transmissie ontstaan waardoor u
de controle over de auto kunt verliezen.
Zet de selectiehendel tijdens het achteruitrijden niet in een vooruitversnel-
ling.
Als u dat wel doet, kan er schade aan de transmissie ontstaan waardoor u
de controle over de auto kunt verliezen.
Als stand N wordt ingeschakeld terwijl de auto rijdt, wordt het hybridesys-
teem uitgeschakeld. Er kan niet op de motor worden afgeremd als het
hybridesysteem is uitgeschakeld.
Zet de selectiehendel niet in een andere stand wanneer het gaspedaal
ingetrapt is.
Als de selectiehendel in een andere stand dan P of N wordt gezet, kan de
auto onverwacht snel accelereren, waardoor een aanrijding en ernstig let-
sel kunnen ontstaan.
Zorg dat u, nadat u de selectiehendel in een andere stand hebt gezet, de
actuele schakelstand controleert met behulp van de positie-indicator.
(→Blz. 258)
232
4-1. Voordat u gaat rijden
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
Het niet in acht nemen van de voorzorgsmaatregelen kan ernstig letsel tot
gevolg hebben.
Als u een piepend of krassend geluid hoort (remblokslijtage-indicato-
ren)
Laat de remblokken zo snel mogelijk nakijken en indien nodig vervangen
door een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een andere naar
behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
De remschijven kunnen beschadigd raken als de remblokken niet op tijd
worden vervangen.
Het rijden met een auto waarvan de remblokken en/of de remschijven de
slijtagelimiet hebben overschreden, is gevaarlijk.
Bij stilstaande auto
Trap het gaspedaal niet onnodig in.
Als de selectiehendel in een andere stand dan P of N staat, kan de auto
onverwachts in beweging komen, waardoor er een ongeval kan ontstaan.
Voorkom het ontstaan van ongevallen door het wegrollen van de auto,
houd altijd het rempedaal ingetrapt zolang het controlelampje READY
brandt. Activeer de parkeerrem indien nodig.
Voorkom voor- of achteruitrollen van de auto bij stoppen op een helling,
waardoor een ongeval kan ontstaan: trap altijd het rempedaal in en acti-
veer de parkeerrem indien nodig.
Voorkom dat de motor met een te hoog toerental draait.
Als de motor met een hoog toerental draait terwijl de auto stilstaat, kan het
uitlaatsysteem oververhit raken, hetgeen brand kan veroorzaken als er
brandbaar materiaal aanwezig is.
4-1. Voordat u gaat rijden
233
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
Het niet in acht nemen van de voorzorgsmaatregelen kan ernstig letsel tot
gevolg hebben.
Als de auto geparkeerd is
Laat geen brillen, aanstekers, spuitbussen of blikken frisdrank in de auto
liggen als deze in de zon geparkeerd staat.
Dit kan resulteren in het volgende:
• Een aansteker of spuitbus kan gas gaan lekken, waardoor brand kan
ontstaan.
• De temperatuur in de auto kan zo hoog oplopen dat kunststof brillengla-
zen en kunststof monturen kunnen vervormen of barsten.
• Blikjes frisdrank kunnen openbarsten, waardoor de inhoud in het interi-
eur terechtkomt. Bovendien kan de vloeistof kortsluiting in de elektri-
sche componenten van de auto veroorzaken.
Laat geen aanstekers achter in de auto. Als een aansteker in het dash-
4
boardkastje of op de vloer ligt, kan deze per ongeluk gaan branden als er
bagage wordt geplaatst of een stoel wordt afgesteld en brand veroorza-
ken.
Plak geen parkeerschijven op de voorruit of andere ruiten. Plaats geen
reservoirs zoals luchtverfrissers op het instrumentenpaneel of dashboard.
Deze parkeerschijven of reservoirs kunnen als een lens werken en brand
veroorzaken in de auto.
Laat geen portier of ruit open als het gebogen glas van naastliggende
gebouwen voorzien is van een gemetalliseerde film, bijvoorbeeld een zil-
verkleurige folie. Weerkaatst zonlicht kan van het glas een lens maken en
brand veroorzaken.
Activeer altijd de parkeerrem, zet de selectiehendel in stand P, schakel het
hybridesysteem uit en sluit de auto af.
Laat de auto niet onbeheerd achter als het controlelampje READY brandt.
Als de auto is geparkeerd met de selectiehendel in stand P, maar de par-
keerrem niet is geactiveerd, zou de auto in beweging kunnen komen, wat
kan leiden tot een ongeval.
Raak de uitlaatpijp niet aan als het controlelampje READY brandt of direct
na het uitschakelen van het hybridesysteem.
Anders kunt u brandwonden oplopen.
234
4-1. Voordat u gaat rijden
WAARSCHUWING
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
Het niet in acht nemen van de voorzorgsmaatregelen kan ernstig letsel tot
gevolg hebben.
Als u even gaat slapen in de auto
Schakel altijd het hybridesysteem uit. Anders zou u per ongeluk de selectie-
hendel kunnen verplaatsen of het gaspedaal in kunnen trappen, waardoor
een ongeval zou kunnen ontstaan of het hybridesysteem oververhit zou
kunnen raken en brand kan ontstaan. Verder kunnen uitlaatgassen in een
slecht geventileerde omgeving in de auto terechtkomen, hetgeen zeer
schadelijk is voor de gezondheid.
Bij het remmen
Rijd voorzichtiger wanneer de remmen nat zijn.
De remweg neemt toe als de remmen nat zijn en bovendien kan vocht
ertoe leiden dat de ene kant van de auto sterker afgeremd wordt dan de
andere kant. Ook de werking van de parkeerrem kan door vocht in nega-
tieve zin beïnvloed worden.
Rijd niet te dicht achter een andere auto als de hydraulische regeleenheid
niet werkt en vermijd afdalingen en scherpe bochten die krachtig afrem-
men noodzakelijk maken.
In dit geval kan de auto nog wel worden afgeremd, maar moet er een gro-
tere kracht op het rempedaal worden uitgeoefend dan normaal. De rem-
weg zal ook langer zijn. Laat uw remmen onmiddellijk repareren.
Het remsysteem bestaat uit 2 of meer afzonderlijke hydraulische syste-
men: als een van de systemen uitvalt, werkt het andere systeem/werken
de andere systemen nog wel. In dat geval moet het rempedaal krachtiger
worden ingetrapt dan gewoonlijk en neemt ook de remweg toe. Laat uw
remmen onmiddellijk repareren.
OPMERKING
Tijdens het rijden
Trap tijdens het rijden niet tegelijkertijd het gaspedaal en het rempedaal in,
anders neemt het vermogen van het hybridesysteem mogelijk af.
Gebruik het gaspedaal niet om de auto op een helling op zijn plaats te
houden en trap daartoe ook niet het rempedaal en het gaspedaal gelijktij-
dig in.
Bij het parkeren
Activeer altijd de parkeerrem en zet de selectiehendel altijd in stand P.
Anders kan de auto onverwachts accelereren als het gaspedaal per onge-
luk wordt ingetrapt.
4-1. Voordat u gaat rijden
235
OPMERKING
Vermijd schade aan onderdelen van de auto
Draai het stuurwiel niet gedurende langere tijd in een van beide richtingen
tegen de aanslag aan.
Anders kan schade aan de stuurbekrachtigingsmotor ontstaan.
Rijd zo langzaam mogelijk over oneffenheden in de weg om schade aan
de wielen, de onderzijde van de auto, enz. te vermijden.
Als u tijdens het rijden een lekke band krijgt
Een lekke of beschadigde band kan leiden tot de onderstaande situaties.
Houd het stuurwiel stevig vast en trap het rempedaal geleidelijk in om de
auto tot stilstand te brengen.
Het kan moeilijk zijn om de auto onder controle te houden.
De auto kan abnormale geluiden maken of trillen.
De auto kan abnormaal gaan overhellen.
Informatie over wat u moet doen in het geval van een lekke band
4
(→Blz. 558, 570)
Overstroomde wegen
Rijd niet op wegen die na zware regenval e.d. zijn overstroomd. Indien u dat
toch doet, kan de auto hierdoor ernstig beschadigd raken:
Motor slaat af
Kortsluiting in elektrische componenten
Motorschade door onderdompeling in water
Na het rijden op een overstroomde weg moet het volgende worden nageke-
ken door een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige:
Remwerking
Peil en kwaliteit van motorolie, hybridetransmissievloeistof, enz.
Smering van de lagers en de wielophanging (indien mogelijk) en de wer-
king van alle koppelingen, lagers, enz.
Als het regelsysteem voor stand P beschadigd is door grote hoeveelheden
water, is het wellicht niet mogelijk om stand P in te schakelen of vanuit
stand P een andere stand in te schakelen. Wanneer vanuit stand P geen
andere stand ingeschakeld kan worden, zijn de voorwielen geblokkeerd en
kunt u de auto niet slepen met de voorwielen op de grond. Vervoer de auto
in dit geval met beide voorwielen of alle vier wielen van de grond.
236
4-1. Voordat u gaat rijden
Lading en bagage
Lees onderstaande informatie over voorzorgsmaatregelen, laad-
vermogen en belading zorgvuldig door:
WAARSCHUWING
Zaken die niet in de bagageruimte vervoerd mogen worden
De volgende zaken kunnen brand veroorzaken als ze in de bagageruimte
vervoerd worden:
Jerrycans met benzine
Spuitbussen
Voorzorgsmaatregelen bij opbergen
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
Het niet in acht nemen van de voorzorgsmaatregelen kan ertoe leiden dat
de pedalen niet goed kunnen worden ingetrapt, dat het zicht van de
bestuurder wordt gehinderd of dat de bestuurder of passagiers door voor-
werpen geraakt worden, wat een ongeval kan veroorzaken.
Vervoer lading en bagage indien mogelijk altijd in de bagageruimte.
Stapel bagage in de bagageruimte nooit hoger dan de rugleuningen.
Leg geen lading of bagage op de volgende plaatsen:
• In de voetenruimte bij de bestuurder
• Op de voorpassagiersstoel of de achterstoelen (als er goederen op
elkaar gestapeld worden)
• Op de bagageafdekking
• Op het instrumentenpaneel
• Op het dashboard
Zorg dat alle voorwerpen die zich in het passagierscompartiment bevin-
den, zijn opgeborgen of vastgezet.
Plaats als u de achterstoelen neerklapt geen lange voorwerpen direct ach-
ter de voorstoelen.
Sta nooit toe dat er personen in de bagageruimte meerijden. De bagage-
ruimte is niet ontworpen om personen te vervoeren. Personen dienen
plaats te nemen op een zitplaats en een gordel op de juiste manier om te
doen.
4-1. Voordat u gaat rijden
237
WAARSCHUWING
Lading en gewichtsverdeling
Overlaad uw auto niet.
Verdeel het gewicht gelijkmatig.
Een onjuiste belading kan de besturing en de remwerking in negatieve zin
beïnvloeden, waardoor een ongeval met ernstig letsel zou kunnen ont-
staan.
Voorzorgsmaatregelen imperiaal (indien aanwezig)
Gebruik minimaal 2 originele Toyota-dwarsstangen (of gelijkwaardig) om de
roofrail als imperiaal te kunnen gebruiken.
Let bij het plaatsen van bagage op het imperiaal op de volgende punten:
Laad geen bagage direct op de roofrail. De bagage kan gaan schuiven,
wat kan resulteren in een ongeval.
Plaats de lading zodanig dat het
Dwarsstangen
gewicht gelijkmatig over de voor- en
4
achteras is verdeeld.
Wanneer lange of brede lading wordt
meegenomen, mag nooit de lengte of
Roofrails
breedte van de auto overschreden wor-
den. (→Blz. 602)
Controleer vóór het rijden of de lading stevig vastzit op het imperiaal.
Door het laden van voorwerpen op het imperiaal zal
het zwaartepunt van
de auto hoger komen te liggen. Vermijd hoge snelheden, snel optrekken,
het maken van scherpe bochten, plotseling remmen en abrupte manoeu-
vres, om te voorkomen dat u de controle over de auto verliest of dat de
auto over de kop slaat door een bedieningsfout, waardoor ernstig letsel
kan ontstaan.
Stop bij het rijden over een lange afstand, over slechte wegen of met hoge
snelheid af en toe tijdens de rit om u ervan te verzekeren dat de lading nog
goed vastzit.
Overschrijd de maximum laadcapaciteit van 75 kg op het imperiaal niet.
238
4-1. Voordat u gaat rijden
WAARSCHUWING
Als er dwarsstangen geplaatst worden (auto's met roofrail)
Controleer of de dwarsstangen goed vastzitten door te proberen ze naar
voren en achteren te duwen.
Het niet in acht nemen van de voorschriften kan een ongeval tot gevolg
hebben.
4-1. Voordat u gaat rijden
239
Rijden met een aanhangwagen
Bij deze uitvoering kunnen alleen auto's met een trekhaakpakket
rijden met een aanhangwagen. Controleer voordat u gaat rijden
met een aanhangwagen het maximaal toelaatbaar totaalgewicht
en het maximaal toelaatbare voertuiggewicht zoals vermeld op
het informatielabel (typeplaatje). (Blz. 242)
Als het maximaal toelaatbaar totaalgewicht groter is dan het
maximaal toelaatbare voertuiggewicht, is uw auto uitgerust met
een trekhaakpakket en geschikt om te rijden met een aanhang-
wagen. Als het maximaal toelaatbaar totaalgewicht echter het-
zelfde is als het maximaal toelaatbare voertuiggewicht, is uw
auto niet uitgerust met een trekhaakpakket en niet geschikt om
te rijden met een aanhangwagen.
4
Auto's zonder trekhaakpakket
Toyota adviseert u niet met een aanhangwagen te rijden. Toyota
adviseert u bovendien geen trekhaak te laten monteren voor het
gebruik van bijvoorbeeld een fietsendrager. Uw auto is niet ont-
worpen voor het rijden met een aanhangwagen of het gebruik
van op de trekhaak bevestigde fietsendragers en dergelijke.
240
4-1. Voordat u gaat rijden
Auto's met trekhaakpakket
Uw auto is in eerste instantie ontworpen voor het vervoer van
personen en hun bagage. Het rijden met een aanhangwagen zal
een negatief effect hebben op de rijeigenschappen, prestaties,
remvermogen, duurzaamheid en het brandstofverbruik. Met
name bij het rijden met een aanhangwagen hangen uw veiligheid
en comfort af van de juiste uitrusting en een voorzichtig rijge-
drag. Voor uw veiligheid en die van anderen, mag de aanhang-
wagen niet te zwaar worden beladen.
Rijd voorzichtig tijdens het rijden met een aanhangwagen en
houd u aan de voorschriften die gelden voor de aanhangwagen.
De Toyota-garantie dekt geen schade of storingen die ontstaan
bij het bedrijfsmatig rijden met een aanhangwagen.
Raadpleeg voordat u met een aanhangwagen gaat rijden eerst
een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een andere
naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige voor
meer informatie. In sommige landen zijn er namelijk wettelijke
voorschriften voor het rijden met aanhangwagens.
Maximale gewichten
Controleer het maximaal toelaatbare aanhangwagengewicht, het
maximaal toelaatbare voertuiggewicht (GVW), de maximale asbe-
lasting (MPAC), en de maximaal toelaatbare kogeldruk voordat u
met een aanhangwagen gaat rijden. (→Blz. 602)
Trekhaak/trekhaak met afneembare kogel
Toyota adviseert gebruik te maken van een originele Toyota trek-
haak/afneembare trekhaak voor uw auto. Ook andere geschikte en
kwalitatief vergelijkbare trekhaken mogen worden gebruikt.
4-1. Voordat u gaat rijden
241
Belangrijke punten met betrekking tot het beladen van een aan-
hangwagen
Totaal aanhangwagengewicht en maximaal toegestane kogel-
druk
1
Totaal
aanhangwagenge-
wicht
Het gewicht van de aanhangwa-
gen plus het gewicht van de
lading mag het maximale aan-
hangwagengewicht niet over-
schrijden. Het is gevaarlijk om
dit gewicht te overschrijden.
(→Blz. 602)
Als u met een aanhangwagen
rijdt, raden wij u aan een stabili-
sator te gebruiken (om slingeren
4
te voorkomen).
2
Maximaal toegestane kogel-
druk
Belaad de aanhangwagen zo dat de kogeldruk hoger is dan 25 kg of 4%
van het maximale aanhangwagengewicht. Laat de kogeldruk de aange-
geven waarde niet overschrijden. (→Blz. 602)
242
4-1. Voordat u gaat rijden
Informatielabel (typeplaatje)
1
Maximaal toelaatbaar totaal-
gewicht
2
Maximaal toelaatbaar voer-
tuiggewicht
3
Maximaal toelaatbare achter-
asbelasting
Maximaal toelaatbaar totaalgewicht
De som van het totale voertuiggewicht en het gewicht van de aan-
hangwagen kan worden gebruikt om te bepalen of de auto met een
aanhangwagen kan rijden.
Als het maximaal toelaatbaar totaalgewicht groter is dan het maxi-
maal toelaatbare voertuiggewicht, is uw auto uitgerust met een
trekhaakpakket en geschikt om te rijden met een aanhangwagen.
Als het maximaal toelaatbaar totaalgewicht echter hetzelfde is als
het maximaal toelaatbare voertuiggewicht, is uw auto niet uitgerust
met een trekhaakpakket en niet geschikt om te rijden met een aan-
hangwagen.
Maximaal toelaatbaar voertuiggewicht
Het totale gewicht van de bestuurder, passagiers, bagage, trek-
haak, auto en kogeldruk mag het maximaal toelaatbare voertuigge-
wicht niet met meer dan 100 kg overschrijden. Het is gevaarlijk om
dit gewicht te overschrijden.
Maximaal toelaatbare achterasbelasting
De achterasbelasting mag de maximale asbelasting niet met meer
dan 15% overschrijden. Het is gevaarlijk om dit gewicht te over-
schrijden.
Het maximale aanhangwagengewicht is bepaald bij tests op zeeni-
veau. Houd er rekening mee dat het motorvermogen en het maxi-
male aanhangwagengewicht op grotere hoogten lager zijn.
4-1. Voordat u gaat rijden
243
WAARSCHUWING
Als het maximaal toelaatbare voertuiggewicht of de maximale asbelas-
ting wordt overschreden
Het niet opvolgen van deze voorzorgsmaatregel kan leiden tot een ongeval,
met ernstig letsel tot gevolg.
Verhoog de aanbevolen bandenspanning met 20,0 kPa (0,2 kg/cm2 of bar,
3 psi). (→Blz. 610)
Rijd niet harder dan de wettelijke limiet voor auto's met een aanhangwa-
gen of 100 km/h, waarbij de laagste limiet moet worden aangehouden.
4
244
4-1. Voordat u gaat rijden
Montagepositie voor de trekhaak/afneembare trekhaak
1
461 mm
2
461 mm
3
1121 mm
4
584 mm
5
394 mm
6
329 mm
7
386 mm
8
55 mm
4-1. Voordat u gaat rijden
245
Informatie over banden
Verhoog de bandenspanning met 20,0 kPa (0,2 kg/cm2 of bar, 3 psi) als er
een aanhangwagen getrokken wordt. (→Blz. 610)
Verhoog de bandenspanning van de aanhangwagen tot de waarde die de
fabrikant van de aanhangwagen opgeeft voor de combinatie van aanhang-
wagengewicht en belading.
Verlichting
Neem voor het plaatsen van aanhangwagenverlichting contact op met een
erkende dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren gekwalifi-
ceerde en uitgeruste deskundige, aangezien onjuiste plaatsing de verlichting
van de auto kan beschadigen. Houd u bij het plaatsen van aanhangwagen-
verlichting aan de wettelijke voorschriften in uw land.
Inrijden
Toyota raadt het rijden met een aanhangwagen af gedurende de eerste 800
km als er onderdelen van de aandrijflijn van de auto vervangen zijn.
Veiligheidscontroles voor het rijden met een aanhangwagen
4
Controleer of de maximale kogeldruk voor de trekhaak/trekhaak met
afneembare kogel niet overschreden wordt. Houd er rekening mee dat het
gewicht van de aanhangwagen moet worden opgeteld bij het gewicht van
de auto. Controleer ook of het totale gewicht van de auto binnen het maxi-
maal toegestane gewicht blijft. (→Blz. 241)
Controleer of de lading op de aanhangwagen goed vastgezet is.
Maak, indien u het achteropkomend verkeer niet goed kunt zien met de
standaard buitenspiegels, gebruik van extra buitenspiegels. Stel de armen
van deze extra spiegels aan beide zijden zo af dat ze altijd maximaal zicht
bieden op de weg achter u.
Onderhoud
Als met de auto regelmatig met een aanhangwagen wordt gereden, moet er
vaker onderhoud worden uitgevoerd omdat de auto zwaarder belast wordt
dan bij het rijden zonder aanhangwagen.
Draai nadat er ongeveer 1.000 km met een aanhangwagen is gereden alle
bouten van de trekhaak nogmaals vast.
246
4-1. Voordat u gaat rijden
OPMERKING
Als de achterbumperversterking van aluminium is
Controleer of het stalen deel van de trekhaak niet direct in contact komt met
het aluminium.
Als staal en aluminium met elkaar in contact komen, ontstaat er een reactie
die te vergelijken is met corrosie, waardoor het desbetreffende gedeelte
verzwakt wordt en er schade kan ontstaan. Breng daarom op het contact-
vlak een roestwerend middel aan.
4-1. Voordat u gaat rijden
247
Advies
De auto zal anders aanvoelen als u met een aanhangwagen rijdt.
Neem de onderstaande voorzorgsmaatregelen in acht om een onge-
val en ernstig letsel te voorkomen:
Controleer de elektrische aansluiting tussen de aanhangwa-
gen en de auto
Breng de auto tot stilstand na een korte afstand gereden te hebben
en controleer, net als voor het wegrijden, of de verlichting van de
aanhangwagen werkt.
Oefen het rijden met een aanhangwagen
● Oefen het rijden met een aanhangwagen in een omgeving zon-
der of met weinig verkeer, zodat u leert hoe de combinatie aan-
voelt bij het keren, stoppen en achteruitrijden.
● Houd tijdens het achteruitrijden het stuurwiel stevig vast en draai
4
het stuurwiel rechtsom om de aanhangwagen naar links te stu-
ren en linksom om de aanhangwagen naar rechts te sturen. Ver-
draai het stuurwiel altijd geleidelijk om stuurfouten te voorkomen.
Laat iemand u bij het achteruitrijden begeleiden om de kans op
een ongeval te beperken.
Vergroten van de tussenafstand
Bij een snelheid van 10 km/h moet de afstand tot uw voorligger
minimaal gelijk zijn aan de totale lengte van uw auto en de aan-
hangwagen. Voorkom plotselinge remmanoeuvres die tot een slip
zouden kunnen leiden. Als de auto in een slip raakt, zou u de con-
trole over de auto kunnen verliezen. De kans hierop is vooral aan-
wezig tijdens het rijden op een nat of glad wegdek.
Acceleratie/stuurcommando's/bochtengedrag
In te krappe bochten kan de aanhangwagen de auto raken. Redu-
ceer uw snelheid voordat u een bocht nadert en neem bochten met
een zodanige snelheid dat plotseling remmen niet nodig is.
Belangrijke punten met betrekking tot het aansnijden van
bochten
De wielen van de aanhangwagen maken een krappere bocht dan
de wielen van de auto. Snijd bochten daarom ruimer aan dan u zou
doen als u niet met een aanhangwagen rijdt.
248
4-1. Voordat u gaat rijden
Belangrijke punten met betrekking tot de stabiliteit
Een slecht wegdek en krachtige zijwind zullen de wegligging en het
rijgedrag beïnvloeden. Ook bij het inhalen van bussen of grote
vrachtwagens of het ingehaald worden door dergelijke voertuigen,
kunnen de aanhangwagen en de auto gaan slingeren. Kijk bij het
rijden langs dergelijke voertuigen veelvuldig in uw spiegels. Vermin-
der vaart door voorzichtig het rempedaal in te trappen zodra u ziet
dat de aanhangwagen gaat slingeren. Houd tijdens het remmen het
stuurwiel altijd in de rechtuitstand.
Passeren van andere auto's
Houd rekening met de totale lengte van uw auto en de aanhangwa-
gen en zorg ervoor dat er voldoende tussenafstand is voordat u van
rijstrook verandert.
Informatie over de transmissie
Om maximaal te kunnen profiteren van de motorremwerking en de
laadstroom tijdens het afremmen, mag de transmissie niet in stand
D staan. Zet de selectiehendel in stand B.
Als de motor oververhit raakt
Het rijden met een aanhangwagen op een lange, steile helling bij
buitentemperaturen hoger dan 30ξC kan ertoe leiden dat de motor
oververhit raakt. Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat
de motor oververhit raakt, schakel dan direct de airconditioning uit
en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand. (→Blz. 594)
Bij het parkeren
Plaats altijd wielblokken onder de wielen van de auto en de aan-
hangwagen. Activeer de parkeerrem en zet de selectiehendel in
stand P.
4-1. Voordat u gaat rijden
249
WAARSCHUWING
Volg alle aanwijzingen in dit hoofdstuk op. Anders kunnen zich ongevallen
voordoen die tot ernstig letsel kunnen leiden.
Voorzorgsmaatregelen bij het rijden met een aanhangwagen
Controleer bij het rijden met een aanhangwagen of de maximaal toege-
stane gewichten niet worden overschreden. (→Blz. 241)
Rijsnelheid bij het rijden met een aanhangwagen
Overschrijd de maximum snelheid voor het rijden met een aanhangwagen
niet.
Voor het afrijden van een lange helling
Verminder de snelheid en rem af op de motor.
Werking van het rempedaal
Trap het rempedaal niet veelvuldig of gedurende een langere periode ach-
tereen in.
Anders kan het remsysteem oververhit raken of kan de remwerking teruglo-
pen.
4
Voorkomen van een ongeval of letsel
Auto's met cruise control: Gebruik de cruise control niet als achter de auto
een aanhangwagen is gekoppeld.
Auto's met compact reservewiel: Rijd niet met een aanhangwagen wan-
neer het compacte reservewiel onder uw auto is gemonteerd.
Auto's met bandenreparatieset: Rijd niet met een aanhangwagen wanneer
een band is gemonteerd die is gerepareerd met de bandenreparatieset.
OPMERKING
Sluit de aanhangwagenverlichting op de juiste wijze aan
Onjuiste aansluiting van de aanhangwagenverlichting kan schade toebren-
gen aan het elektrische systeem van uw auto en storingen veroorzaken.
250
4-2. Rijprocedures
Startknop
Als u de volgende handelingen uitvoert terwijl u een elektroni-
sche sleutel bij u hebt, wordt het hybridesysteem gestart of de
stand van het contact veranderd.
Starten van het hybridesysteem
1
Controleer of de parkeerrem is geactiveerd.
2
Controleer of de selectiehendel in stand P staat.
3
Trap het rempedaal stevig in.
en een melding worden op het multi-informatiedisplay weergege-
ven.
Als dit niet wordt weergegeven, kan het hybridesysteem niet worden
gestart.
4
Druk kort en krachtig op de
startknop.
Eén keer kort en stevig indrukken
van de startknop is voldoende om
deze te bedienen. U hoeft de start-
knop niet ingedrukt te houden.
Als het controlelampje READY
gaat branden, werkt het hybride-
systeem normaal.
Houd het rempedaal ingetrapt tot
het controlelampje READY brandt.
Het hybridesysteem kan vanuit
iedere stand van het contact wor-
den gestart.
Controleer of het controlelampje READY brandt.
5
Wanneer het controlelampje READY uit is, kunt u niet wegrijden.
4-2. Rijprocedures
251
Uitschakelen van het hybridesysteem
1
Breng de auto volledig tot stilstand.
2
Activeer de parkeerrem. (→Blz. 267)
3
Druk op de schakelaar voor
stand P. (→Blz. 260)
Controleer of de positie-indicator
op het instrumentenpaneel P aan-
geeft. (→Blz. 104)
4
Druk op de startknop.
4
Laat het rempedaal los en controleer of de melding “Power ON.”
5
(contact AAN) op het multi-informatiedisplay uit is.
252
4-2. Rijprocedures
Wijzigen van de standen van het contact
De standen kunnen worden gewijzigd door op de startknop te drukken
als het rempedaal niet wordt ingetrapt. (De stand verandert iedere
keer dat op de knop wordt gedrukt.)
UIT
De alarmknipperlichten kunnen
worden gebruikt.
Stand ACC
Sommige elektrische componen-
ten zoals de accessoireaansluiting
kunnen worden gebruikt.
“Power ON.” (contact AAN) wordt
op het multi-informatiedisplay
weergegeven.
AAN
Alle elektrische componenten kun-
nen worden gebruikt.
“Power ON.” (contact AAN) wordt
op het multi-informatiedisplay
weergegeven.
4-2. Rijprocedures
253
Auto power off-functie
Als het contact langer dan 20 minuten in stand ACC of langer dan een uur
AAN staat (hybridesysteem niet in werking) terwijl stand P is geselecteerd,
wordt het contact automatisch UIT gezet. Deze functie kan echter niet geheel
uitsluiten dat de 12V-accu ontladen raakt. Laat de auto niet gedurende lan-
gere tijd in stand ACC of AAN staan terwijl het hybridesysteem niet in werking
is.
Geluiden en trillingen die kenmerkend zijn voor een hybrideauto
→Blz. 74
Leegraken batterij elektronische sleutel
→Blz. 128
Als de buitentemperatuur laag is, bijvoorbeeld bij rijden in de winter
Als het hybridesysteem gestart wordt, knippert het controlelampje READY
mogelijk lang. Bedien de auto niet totdat het controlelampje READY continu
brandt. Continu branden betekent dat de auto in beweging kan komen.
Omstandigheden die de werking kunnen beïnvloeden
4
→Blz. 143, 177
Aanwijzingen voor de instapfunctie
Blz. 144
Als het hybridesysteem niet kan worden ingeschakeld
De startblokkering is mogelijk niet uitgeschakeld. (→Blz. 82)
Neem contact op met een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Als op het multi-informatiedisplay “Check entry & start system.”
(Controleer Smart entry-systeem met startknop.) wordt weergegeven
Er is mogelijk een storing in het systeem aanwezig. Laat uw auto direct con-
troleren door een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een
andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Als het controlelampje READY niet gaat branden
Neem, als het controlelampje READY niet gaat branden nadat de juiste pro-
cedure voor het starten van de auto is gevolgd, direct contact op met een
erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een andere naar behoren
gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Als de batterij van de elektronische sleutel ontladen is
→Blz. 508
254
4-2. Rijprocedures
Bedienen van de startknop
Als de knop niet kort en krachtig wordt ingedrukt, wijzigt de stand van het
contact mogelijk niet of wordt het hybridesysteem niet gestart.
Als u probeert het hybridesysteem opnieuw te starten direct nadat het con-
tact UIT is gezet, dan start het hybridesysteem in sommige gevallen moge-
lijk niet. Wacht nadat u het contact UIT hebt gezet een paar seconden
voordat u het hybridesysteem opnieuw start.
Functie automatisch selecteren van stand P
Als een andere schakelstand dan stand P is geselecteerd, wordt stand P
automatisch ingeschakeld als u op de startknop drukt wanneer de auto vol-
ledig tot stilstand is gekomen, waarna het contact UIT gaat.
Wanneer u het contact uit zet terwijl de selectiehendel niet in stand P staat:
Trap het rempedaal goed in en controleer of de schakelstand* gewijzigd is
naar stand P voordat u het rempedaal langzaam loslaat.
*: Zelfs nadat het display van het dashboard uitgezet is, wordt de positie-indi-
cator gedurende enkele seconden weergegeven.
Als het regelsysteem voor stand P defect is
Het contact kan niet worden uitgezet. In dergelijke gevallen kan de knop uit-
gezet worden door de parkeerrem te activeren.
Laat de auto direct controleren door een erkende Toyota-dealer of hersteller/
reparateur of een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste des-
kundige wanneer een storing in het systeem optreedt.
Als het Smart entry-systeem met startknop of de startknopfunctie is uit-
geschakeld via persoonlijke voorkeursinstellingen
→Blz. 586
4-2. Rijprocedures
255
WAARSCHUWING
Starten van het hybridesysteem
Ga altijd op de bestuurdersstoel zitten alvorens het hybridesysteem te star-
ten. Trap onder geen enkele voorwaarde het gaspedaal in bij het starten
van het hybridesysteem.
Als u dat wel doet, kan dat leiden tot een ongeval waarbij ernstig letsel kan
ontstaan.
Uitschakelen van het hybridesysteem in noodgevallen
Als u in een noodgeval het hybridesysteem tijdens het rijden wilt stoppen,
houdt u de startknop langer dan 2 seconden ingedrukt of drukt u deze min-
stens 3 keer kort achter elkaar in. (→Blz. 533)
Raak de startknop echter tijdens het rijden niet aan, behalve in geval van
nood. Door het uitschakelen van het hybridesysteem tijdens het rijden ver-
liest u niet de controle over het stuurwiel of de remmen. De stuurbekrachti-
ging werkt echter niet meer. Hierdoor zal het sturen veel zwaarder gaan dan
normaal. Zet in dat geval de auto aan de kant zodra dit veilig kan.
4
OPMERKING
Voorkomen van ontlading van de 12V-accu
Laat het contact niet gedurende langere tijd in de stand ACC of AAN staan
wanneer het hybridesysteem niet in werking is.
Als het hybridesysteem uitgeschakeld is maar het controlelampje in de
startknop nog brandt, geeft dit aan dat het contact nog AAN is. Controleer
voordat u uitstapt altijd of het contact UIT is.
Starten van het hybridesysteem
Trap het gaspedaal niet onnodig in.
Indien het hybridesysteem moeilijk start, laat uw auto dan onmiddellijk
controleren door een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of
een andere naar behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
Symptomen die kunnen duiden op een defect in de startknop
Als de startknop anders lijkt te werken dan normaal, bijvoorbeeld als de
knop iets blijft hangen, kan de startknop defect zijn. Neem direct contact op
met een erkende Toyota-dealer of hersteller/reparateur of een andere naar
behoren gekwalificeerde en uitgeruste deskundige.
256
4-2. Rijprocedures
EV-modus
In de EV-modus wordt er elektrisch vermogen geleverd door het
batterijpakket (tractiebatterij) en wordt alleen de elektromotor
(tractiemotor) gebruikt voor de aandrijving van de auto.
Deze modus is geschikt voor het 's nachts of in de vroege mor-
gen door woonwijken rijden of het rijden in een parkeergarage,
enz. zonder dat u zich zorgen hoeft te maken over geluidsover-
last of uitlaatgassen.
Schakelt EV-modus in/uit
Als de EV-modus wordt ingescha-
keld, gaat het controlelampje EV
MODE branden. Door in de EV-
modus de schakelaar in te druk-
ken, wordt teruggekeerd naar nor-
maal rijden
(aandrijving door de
benzinemotor en de elektromotor
[tractiemotor]).
Omstandigheden waarin de EV-modus niet kan worden ingeschakeld
In de volgende gevallen kan de EV-modus mogelijk niet worden ingescha-
keld. Als de stand niet ingeschakeld kan worden, klinkt er een zoemer en ver-
schijnt er een melding op het multi-informatiedisplay.
De temperatuur van het hybridesysteem is te hoog.
De auto heeft lang in de zon gestaan of na het oprijden van een helling, het
rijden met hoge snelheid, enz.
De temperatuur van het hybridesysteem is te laag.
De auto heeft bijvoorbeeld lang in een omgeving met een temperatuur lager
dan 0°C gestaan.
De benzinemotor is aan het opwarmen.
Het batterijpakket (tractiebatterij) is bijna leeg.
De resterende capaciteit van het batterijpakket die op de energiemonitor
wordt aangegeven, is laag. (→Blz. 120)
Rijsnelheid is hoog.
Het gaspedaal wordt stevig ingetrapt of de auto rijdt op een helling, enz.
De voorruitverwarming is ingeschakeld.
4-2. Rijprocedures
257
De EV-modus inschakelen wanneer de benzinemotor koud is
Als de benzinemotor nog koud is en het hybridesysteem wordt gestart, wordt
automatisch de benzinemotor gestart, zodat deze op temperatuur kan
komen. In dat geval kan de EV-modus niet worden ingeschakeld.
Druk zodra het hybridesysteem is gestart en het controlelampje READY
brandt en voordat de benzinemotor start op de schakelaar EV MODE om de
EV-modus in te schakelen.
Automatische uitschakeling van de EV-modus
Tijdens het rijden in de EV-modus, kan in de volgende gevallen automatisch
de benzinemotor worden gestart. Als de EV-modus wordt uitgeschakeld,
klinkt er een zoemer, knippert het controlelampje EV MODE en gaat het ver-
volgens uit en wordt er een melding weergegeven op het multi-informatiedis-
play.
Het batterijpakket (tractiebatterij) raakt leeg.
Rijsnelheid is hoog.
Het gaspedaal wordt stevig ingetrapt of de auto rijdt op een helling, enz.
Maximale rijafstand in EV-modus
4
De maximale rijafstand in de EV-modus varieert van een paar honderd meter
tot ongeveer 2 km. Er zijn afhankelijk van de omstandigheden van de auto
echter situaties waarbij de EV-modus niet kan worden gebruikt.
(De maximale rijafstand is afhankelijk van de laadtoestand van het batterij-
pakket [tractiebatterij] en de rijomstandigheden.)
Wijzigen van de rijmodus vanuit de EV-modus
De EV-modus kan worden gebruikt in combinatie met de ECO-modus en de
POWER-modus.
De EV-modus kan echter automatisch uitgeschakeld worden wanneer deze
gebruikt wordt in combinatie met de POWER-modus.
Brandstofverbruik
Het hybridesysteem is ontworpen voor een zo laag mogelijk brandstofver-
bruik onder normale rijomstandigheden (aandrijving door benzinemotor en
elektromotor [tractiemotor]). Als de EV-modus vaker wordt gebruikt dan nodig
is, zal het brandstofverbruik hoger zijn.
WAARSCHUWING
Wees voorzichtig tijdens het rijden
Controleer tijdens het rijden in de EV-modus zorgvuldig de omgeving van
de auto. Omdat er geen motorgeluiden zijn, merken voetgangers, fietsers of
andere verkeersdeelnemers en voertuigen in de omgeving mogelijk niet dat
de auto wegrijdt of hen nadert. Wees dus tijdens het rijden extra alert.
258
4-2. Rijprocedures
Hybridetransmissie
Bedienen van de selectiehendel
Bedien de selectiehendel soepel en op de juiste manier.
Laat de selectiehendel na het schakelen steeds los, zodat hij kan
terugkeren naar positie
Beweeg de selectiehendel bij het schakelen naar stand D of R
door de schakelcoulisse.
Beweeg de selectiehendel naar links en houd de hendel in
deze positie om stand N in te schakelen. De schakelstand wij-
zigt naar N.
Beweeg de selectiehendel naar achteren door de schakelcou-
lisse om stand B in te schakelen. Schakelen naar stand B is
alleen mogelijk wanneer schakelstand D geselecteerd is.
Zorg bij het schakelen van P naar N, D of R, van D naar R of van R
naar D dat het rempedaal ingetrapt is en dat de auto stilstaat.
4-2. Rijprocedures
259
De positie van het frame op de positie-indicator wijzigt op basis van
de actuele schakelstand.
Controleer bij het selecteren van een schakelstand de positie-indica-
tor op het dashboard om na te gaan of de gewenste stand ingescha-
keld is.
Wanneer een andere schakelstand dan D of B geselecteerd wordt,
verdwijnt de pijl die naar B wijst uit de positie-indicator.
Doel van de schakelstanden
Schakelstand
Functie
Parkeren van de auto/inschakelen van het hybride-
P
systeem
R
Achteruit
N
Neutraalstand
4
D
Normaal rijden*
Motorremwerking op een gemiddeld niveau bij het
B
afrijden van heuvels of op steile hellingen
*: Zet de selectiehendel onder normale rijomstandigheden in stand D voor
een zo laag mogelijk brandstofverbruik en een zo laag mogelijke geluids-
productie.
260
4-2. Rijprocedures
Schakelaar stand P
Als stand P wordt ingeschakeld
De schakelstand kan gewijzigd worden naar stand P met behulp
van de schakelaar voor stand P.
Breng de auto volledig tot stil-
stand en houd het rempedaal
ingetrapt. Druk vervolgens op
de schakelaar voor stand P.
Wanneer de schakelstand
gewijzigd is naar P, gaat de indi-
cator in de schakelaar branden.
Controleer of de indicator voor
stand P brandt op de positie-
indicator.
Wijzigen van de schakelstand vanuit stand P
● Bedien de selectiehendel terwijl u het rempedaal stevig intrapt.
Als u de selectiehendel bedient zonder dat u het rempedaal
intrapt, klinkt er een zoemer en is schakelen niet mogelijk.
● Controleer nadat u de schakelstand geselecteerd hebt via de
schakelstandindicator of de gewenste schakelstand is ingescha-
keld. (→Blz. 104)
● De schakelstand kan niet rechtstreeks gewijzigd worden van P
naar B.
4-2. Rijprocedures
261
Selecteren van een rijmodus
De volgende standen kunnen afhankelijk van de rijomstandigheden
geselecteerd worden.
1
ECO-rijmodus
Gebruik de ECO-modus voor een laag brandstofverbruik tijdens ritten
4
waarbij vaak wordt geaccelereerd en geremd. De werking van de aircondi-
tioning wordt beperkt.
Druk nogmaals op de schakelaar ECO MODE om de ECO-modus uit te
schakelen.
De ECO-modus wordt niet uitgeschakeld totdat u op de schakelaar ECO
MODE drukt, ook niet als het contact UIT wordt gezet.
Druk op de schakelaar PWR MODE om naar de POWER-modus te gaan.
2
POWER-modus
Gebruik deze modus wanneer de auto snel en soepel moet reageren, bij-
voorbeeld bij het rijden in bergachtige gebieden of tijdens het inhalen.
Druk nogmaals op de schakelaar PWR MODE om de POWER-modus uit
te schakelen.
Door het contact UIT te zetten wordt de POWER-modus uitgeschakeld.
Druk op de schakelaar ECO MODE om naar de ECO-modus te gaan.

 

 

 

 

 

 

 

Content      ..     3      4      5      6     ..