DAF XF105. Manual - part 129

 

  Index      DAF     DAF XF105 - service repair manual

 

Search            

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Content   ..  127  128  129  130   ..

 

 

DAF XF105. Manual - part 129

 

 

1

©

 200533

3-5

Regelfuncties

EAS

XF105 Serie

Via de CAN verbinding ontvangt de EAS-unit de 

omgevingstemperatuur van de elektronische unit 

DMCI. De elektronische unit DMCI ontvangt het 

bericht van de VIC-2. Wanneer het systeem zich 

gedurende een langere tijd in de "stand-by"-fase 

bevindt en de omgevingstemperatuur lager is dan 

de voorgeprogrammeerde waarde, schakelt het 

systeem over op de tussenliggende naloopfase. 

Het doel van deze tussenliggende naloopfase is 

om de AdBlue uit de doseermodule (F) en de 

leiding tussen de EAS-unit (E) en de 

doseermodule (F) te verwijderen. Dit om te 

voorkomen dat de AdBlue in de leiding en de 

doseermodule (F) kan kristalliseren of bevriezen. 

De AdBlue-pomp (E3) wordt uitgeschakeld. Het 

ontluchtingsventiel (E8) wordt geopend waardoor 

de AdBlue-druk wegvalt. Nu wordt het 

luchtdrukregelventiel (E7) geopend en na enige 

tijd wordt de doseermodule (F) met de maximale 

duty-cycle aangestuurd (maximale opening). De 

AdBlue kan nu, onder invloed van de aanwezige 

luchtdruk, vanuit de doseermodule (F) via het 

ontluchtingsventiel (E8) terugstromen naar de 

tank. Tegelijkertijd wordt de leiding naar de 

verstuiver (H) doorgeblazen. Na de 

geprogrammeerde tijd worden de doseermodule 

(F), het ontluchtingsventiel (E8) en het 

luchtdrukregelventiel (E7) gesloten.

1

EAS

3-6

©

 200533

Regelfuncties

XF105 Serie

3.4 NALOOPFASE

Wanneer AdBlue verdampt, blijven er kristallen 

achter in de leidingen. Na verloop van tijd kunnen 

de leidingen, verstuiver en overige onderdelen 

verstopt raken of bevriezen. Om dit te voorkomen 

gaat het systeem, wanneer het contact wordt 

uitgeschakeld, over in de naloopfase. Tijdens de 

naloopfase worden de AdBlue-leidingen 

doorgeblazen met lucht.

Omgevingstemperatuur 

 0

Het doel van het doorblazen is om de AdBlue uit 

de leiding tussen de doseermodule (F) en de 

verstuiver (H) en de AdBlue uit de verstuiver (H) 

te verwijderen. Na het uitzetten van het contact 

valt de spanning van de EAS-unit weg en wordt 

de AdBlue-pomp (E3) uitgeschakeld. Het 

ontluchtingsventiel (E8) wordt geopend waardoor 

de AdBlue-druk wegvalt. Het ontluchtingsventiel 

(E8) wordt geopend waardoor de AdBlue-druk in 

de EAS-unit (E) wegvalt. Tevens wordt het 

luchtdrukregelventiel (E7) geopend waardoor de 

leiding van de doseermodule (F) naar de 

verstuiver (H) en de verstuiver (H) wordt 

doorgeblazen.

i400974

Q

1

1

CAN

2

3

4

7

9

10

11

2

8

12

2

1

5

6

B

A

C

D

E

F

H

J

I

P

P

P

M

G

1

©

 200533

3-7

Regelfuncties

EAS

XF105 Serie

Omgevingstemperatuur < 0

Het doel van het doorblazen is om de AdBlue uit 

de doseermodule (F) en de AdBlue in de leiding 

tussen de EAS-unit (E) en de doseermodule (F) 

te verwijderen. Dit om te voorkomen dat de 

leiding en de doseermodule (F) verstopt raken of 

bevriezen. Tevens worden ook de verstuiver (H) 

en de leiding tussen de verstuiver (H) en de 

doseermodule (F) doorgeblazen. In de EAS-unit 

blijft een gedeelte van de AdBlue achter. In de 

unit is er voldoende compensatievolume 

aanwezig mocht de AdBlue bevriezen en 

hierdoor uitzetten. Na het uitzetten van het 

contact valt de spanning van de EAS-unit weg en 

wordt de AdBlue-pomp (E3) uitgeschakeld. Het 

ontluchtingsventiel (E8) wordt geopend waardoor 

de AdBlue-druk wegvalt. Tevens wordt het 

luchtdrukregelventiel (E7) met een hogere duty-

cycle aangestuurd. De doseermodule (F), de 

leiding tussen de doseermodule (F) en de 

verstuiver (H) en de verstuiver (H) worden nu 

doorgeblazen. Deze cyclus bestaat uit een 

drukperiode en een rustperiode en herhaalt zich 

enkele keren. De drukperiode wordt verkregen 

door het verhogen van de duty cycle van het 

luchtdrukregelventiel (E7). De rustperiode wordt 

verkregen door verlagen van de duty cycle van 

het luchtdrukregelventiel (E7). Tevens wordt 

tijdens een van de drukperiodes de 

doseermodule (F) aangestuurd. De AdBlue in de 

EAS unit (E) en de leiding tussen de EAS unit (E) 

en de doseermodule (F) kan nu, onder invloed 

van de aanwezige luchtdruk, terugstromen naar 

de tank (A). Aan het einde van deze cyclus 

worden de doseermodule (F), het 

ontluchtingsventiel (E8) en het 

luchtdrukregelventiel (E7) gesloten. 

Aan het einde van de naloopfase worden 

eventuele fouten opgeslagen. Het interne relais 

(E4) in de EAS-unit wordt afgeschakeld waardoor 

het systeem spanningsloos is.

Opmerking:

Wanneer er voor de naloopfase geen AdBlue-

druk is opgebouwd wordt er een korte naloop 

geactiveerd. Tijdens de korte naloop wordt 

gedurende enkele seconden het 

onluchtingsventiel (E8) geactiveerd.

1

EAS

3-8

©

 200533

Regelfuncties

XF105 Serie

3.5 CONTROLE KATALYSATOR AANWEZIGHEID

i400977

E350

1000

1010

E357

F718

CAN

network

7

8

2

1

9

1

2

D 9 7 5

E A S   -   U N I T

4

3

GND

signal

22

23

catalyst

temperature

sensor

downstream

catalyst

temperature

sensor

upstream

R

T

F719

1

2

GND

signal

24

25

R

T

red

CAN-H

yellow

CAN-L

 

 

 

 

 

 

 

Content   ..  127  128  129  130   ..